De drie clusters
- Cluster A — paranoïde, schizoïde, schizotypisch (vreemd/excentriek).
- Cluster B — antisociaal, borderline, narcistisch, theatraal (dramatisch/grillig).
- Cluster C — vermijdend, afhankelijk, dwangmatig (angstig).
- Vaak comorbiditeit en mengvormen — diagnose ≠ etiket.
Borderline — kern en valkuilen
- Instabiel zelfbeeld, relaties, stemming en gedrag.
- Verlatingsangst — heftige reactie op (vermeende) afwijzing.
- Impulsiviteit — automutilatie, middelen, eetbuien, seks.
- Suïcidale uitingen — neem altijd serieus.
- Splitting — idealisering en devaluatie wisselen snel.
- Dissociatie bij stress.
Basishouding — dialectisch
- Validatie + verandering — beide tegelijk, niet of/of.
- Voorspelbaar — vaste tijden, vaste afspraken, niets impulsief beloven.
- Transparant — leg uit waarom je iets doet of niet.
- Eerlijk over grenzen — geen valse hoop, geen geheime regels.
- Niet meeschommelen in crisis — blijf stabiel, kort en feitelijk.
- Beheers eigen reactie (countertransference); supervisie is geen luxe.
Splitting voorkomen — team is één stem
- Geen 'speciale deal' met één begeleider.
- Beslissingen multidisciplinair, vastgelegd in dossier.
- Wat cliënt aan jou vertelt over collega's: bespreek met collega, niet weghouden.
- Geen kritiek op collega's tegenover cliënt; verwijs door.
- Wekelijks korte teambriefing — wie heeft wat afgesproken?
Rode vlag
Grenzen stellen — gedrag, niet persoon
- Beschrijf gedrag concreet: 'als je tegen me schreeuwt'.
- Effect benoemen: 'dan kan ik niet meer helpen'.
- Alternatief bieden: 'we praten over 10 minuten verder'.
- Houd je aan de grens — anders leert cliënt dat grenzen rekbaar zijn.
- Geen straf, geen verwijt — feitelijk en kalm.
Crisis en suïcidaliteit
- Werk met crisis-/signaleringsplan dat cliënt zelf mede opstelde.
- Onderscheid chronische suïcidaliteit van acute escalatie.
- Bij acute escalatie: behandelaar/crisisdienst/113.
- Na crisis: chain analysis — wat ging eraan vooraf, wat hielp, wat ontbrak?
- Geen 'no-suicide-contract' — geen bewezen effect.
Mentaliseren — zelf en ander zien
- Vraag naar gedachten en gevoelens, niet alleen feiten.
- 'Wat dacht je toen?' — 'Wat denk je dat ik toen dacht?'
- Stop, kijk, luister voor je interpreteert.
- Erken niet-weten: 'ik weet niet zeker wat je voelt, help me'.
Veelgestelde vragen
Wat is een persoonlijkheidsstoornis?
Een diepgeworteld, rigide patroon van denken, voelen en gedrag dat duidelijk afwijkt van wat in de cultuur verwacht wordt, leidt tot lijden of disfunctioneren en al jong volwassen aanwezig is. DSM-5 onderscheidt 3 clusters (A vreemd/excentriek, B dramatisch/grillig, C angstig/vermijdend).
Wat is splitting?
Het zwart-wit ervaren van anderen als 'helemaal goed' of 'helemaal slecht', vaak wisselend. In teams uit zich dit als 'jij begrijpt me wel, zij is verschrikkelijk' — voorkom door teamafstemming en uniforme communicatie.
Welke methoden werken bij borderline?
Bewezen: Dialectische Gedragstherapie (DBT), Mentalization-Based Treatment (MBT), Schematherapie, Transference-Focused Psychotherapy (TFP). Begeleiding sluit aan op het therapiemodel.
Hoe stel ik grenzen zonder af te wijzen?
Validate the emotion, regulate the behavior: 'Ik snap dat je woedend bent. Schreeuwen kan ik niet bij. Laten we het over 10 minuten weer proberen.' Grens = gedrag, niet de persoon.
Wat doe ik bij dreigend automutileren?
Veiligheid eerst — verwijder middel, blijf rustig in contact, schakel behandelaar/crisisplan in. Niet onderhandelen of dramatiseren. Achteraf: functieanalyse (welke spanning, welke functie, welk alternatief).
