Mogelijke functies
- Innerlijke spanning of pijn naar buiten brengen.
- Uit dissociatie komen ('voelen dat ik er ben').
- Zelfstraf bij schaamte of schuld.
- Communicatie als woorden tekortschieten.
Tijdens het moment
- 1Blijf rustig; toon geen schok of afkeer.
- 2Zorg eerst voor de wond — feitelijk, zonder oordeel.
- 3Vraag: 'Wat heb je nu nodig?' — niet 'waarom doe je dit?'
- 4Bied alternatief op: ijsblokje, elastiek, hard knijpen, rode stift.
- 5Verminder middelen (scherpe voorwerpen) zonder strijd.
Op de langere termijn
- Signaleringsplan: wat ging vooraf? Wanneer was de spanning er nog mee om te gaan?
- Werk met behandelaar aan onderliggende oorzaak.
- Bekrachtig dat de cliënt het deelt, niet de daad zelf.
- Spreek af hoe het team reageert — eenduidig.
Wanneer arts/SEH
- Diepe wonden (zichtbaar vet, slagaderlijk bloed).
- Wonden in gezicht, hals, oog.
- Onbekende of slecht te beoordelen wond.
- Inname middelen of medicatie — altijd huisarts/112.
Vermijd
Belonen ('je krijgt aandacht'), straffen ('dan blijf je alleen'), shock-reactie. Alles versterkt het gedrag.