Type 1 vs type 2
- Type 1: jongere leeftijd, auto-immuun, geen eigen insuline → altijd injecties of pomp.
- Type 2: meestal > 40 jaar, leefstijlgebonden, insulineresistentie → leefstijl, metformine, soms insuline.
- Zwangerschapsdiabetes en LADA/MODY zijn aparte vormen.
Hypo herkennen en handelen
- < 4.0 mmol/L: trillen, zweten, hartkloppingen, honger, prikkelbaar.
- Geef 15–20g snelle suiker (4 druivensuikertabletten of 150ml limonade).
- Meet na 15 min opnieuw. Nog < 4.0? Herhaal.
- Daarna langzame koolhydraten (boterham).
- Bewusteloos: NIET drinken geven. Glucagon spuiten of 112.
Risico's
Hyper en ketoacidose
- Hyper: dorst, veel plassen, moe, wazig zien.
- Ketoacidose (vooral type 1): misselijk, braken, buikpijn, snelle ademhaling, acetongeur — arts/112.
- HHS (type 2): extreme bloedsuiker > 30, uitdroging, sufheid — spoed.
- Bij ziekte/koorts: vaker meten, insuline niet zomaar overslaan.
Insuline en meten
- Voorbehouden handeling Wet BIG — bekwaamheidsverklaring vereist.
- Werk volgens individueel protocol (schema of pomp).
- Wissel spuitplaatsen (lipohypertrofie voorkomen).
- FGM (FreeStyle Libre) / CGM steeds vaker — leer alarmen interpreteren.
- Dubbele controle bij dosering.
Voet- en oogzorg
- Dagelijks voeten inspecteren — wondjes, kloven, kleurverandering.
- Geen blote voeten, goede schoenen, nagels recht knippen of pedicure/podotherapeut.
- Jaarlijkse fundusfoto bij oogarts/optometrist.
- Nieren: jaarlijks bloed- en urine-onderzoek.
Leefstijl
- Koolhydraten tellen of vaste maaltijdpatronen.
- Bewegen verlaagt bloedsuiker — let op hypo bij intensieve inspanning.
- Stoppen met roken (vaatlijden).
- Alcohol verhoogt hypo-risico, vooral 's nachts.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen type 1 en type 2?
Type 1: auto-immuun, geen insulineproductie, altijd insuline nodig. Type 2: insulineresistentie, vaak gerelateerd aan leefstijl/overgewicht, behandeling met leefstijl, tabletten, soms insuline.
Wanneer is sprake van een hypo?
Bloedsuiker < 4.0 mmol/L. Klachten: trillen, zweten, hartkloppingen, honger, verwardheid, prikkelbaarheid. Snel suiker geven (druivensuiker, limonade).
Wanneer een hyper?
Bloedsuiker > 10 mmol/L (nuchter) of > 15 mmol/L na maaltijd. Klachten: dorst, veel plassen, moe, wazig zien. Bij > 20 + ketonen: arts bellen i.v.m. ketoacidose.
Mag een begeleider insuline geven?
Alleen bij bekwaamheidsverklaring (voorbehouden handeling onder Wet BIG). Werk volgens protocol, dubbele controle bij injectie/pomp.
Waarom is voetzorg zo belangrijk?
Neuropathie + slechte doorbloeding = wondjes worden niet gevoeld en helen slecht. Risico op infectie en amputatie. Dagelijkse inspectie, goede schoenen, podotherapeut.
