Wanneer een signaleringsplan?
- Bij cliënten met terugkerende crises, agressie of psychotische episodes.
- Bij cliënten die zelf spanning slecht herkennen.
- Bij cliënten met een patroon van zelfbeschadiging of suïcidaliteit.
- Bij begeleiding die door meerdere mensen wordt gedaan — voor één lijn.
De vier fases
- 1Fase 1 — Stabiel/groen: hoe is de cliënt als het goed gaat? Wat doet hij, wat zegt hij, hoe ziet hij eruit?
- 2Fase 2 — Vroege signalen/geel: eerste oplopende spanning. Vaak subtiel: slecht slapen, korter praten, meer roken.
- 3Fase 3 — Toenemende spanning/oranje: duidelijk zichtbaar. IJsberen, harder praten, eisen, weglopen.
- 4Fase 4 — Crisis/rood: controleverlies — agressie, psychose, suïcidaal handelen.
Per fase: signalen én acties
- Beschrijf signalen concreet en waarneembaar — geen interpretaties.
- Bij elke fase: wat doet de cliënt zelf? Wat doet de begeleider? Wat doet het netwerk?
- Maak acties klein en uitvoerbaar — niet 'rust bieden' maar 'alleen op kamer met muziek'.
- Wees concreet over inschakeling van behandelaar, crisisdienst of 112.
Opbouwen — samen met cliënt
- 1Kies een rustig moment, niet vlak na een incident.
- 2Reconstrueer een eerdere crisis stap voor stap.
- 3Vraag: 'Waar zag jij of zagen wij het eerst aan?'
- 4Vraag: 'Wat had je toen nodig gehad?'
- 5Vat samen per fase. Laat de cliever meelezen.
- 6Verspreid het plan: cliënt, team, netwerk, behandelaar.
- 7Evalueer na elke crisis — klopt het plan nog?
Wat maakt een goed plan?
- Concreet, in eigen taal van de cliënt.
- Eén A4, snel te lezen.
- Met namen en telefoonnummers van wie te bellen.
- Onderhouden: niet eenmalig opgesteld, maar levend.
- Bekend bij ieder teamlid en bij nachtdienst.
Let op
Een signaleringsplan vervangt geen behandeling. Het is een hulpmiddel om vroeger en eenduidiger te handelen.