Wat hoort in een rapportage?
- Wat heb je waargenomen? Concreet en feitelijk.
- Wat heb je gedaan? Welke interventie of begeleiding?
- Wat was het effect? Hoe reageerde de cliënt?
- Welk doel raakt dit uit het zorgplan?
- Welke vervolgactie is nodig?
SOAP-structuur
- 1S — Subjectief: wat zegt de cliënt zelf? Citeer eventueel.
- 2O — Objectief: wat heb jij waargenomen? Meetbaar, observeerbaar.
- 3A — Analyse: wat betekent dit? Sluit aan bij zorgplan of signaleringsplan.
- 4P — Plan: wat is de vervolgactie? Wie, wanneer?
Feitelijk vs interpretatief
- Niet: 'Hij was agressief.' Wel: 'Hij sloeg twee keer met zijn vuist op tafel en riep "laat me met rust".'
- Niet: 'Cliënt had een goede dag.' Wel: 'Cliënt at zelf zijn boterham en deed mee aan de wandeling van 20 minuten.'
- Niet: 'Hij wilde niet.' Wel: 'Op de vraag of hij wilde douchen zei hij: "vandaag niet".'
Doelgericht rapporteren
- Koppel elke rapportage aan een doel uit het zorgplan.
- Heeft een actie bijgedragen aan het doel? Beschrijf dat.
- Gebeurde er iets dat een nieuw doel oproept? Signaleer.
- Zonder doelkoppeling: rapporteer ten minste relevant voor team of veiligheid.
Vorm en taal
- Korte zinnen, actieve vorm.
- Gebruik tijd en feiten: 'Om 14:10 weigerde cliënt zijn medicatie.'
- Geen oordelen of labels ('manipulatief', 'aandachtvragend').
- Geen privacygevoelige info over anderen.
- Schrijf alsof de cliënt het zelf zou lezen — want dat mag hij ook.
Wanneer rapporteren?
- Bijzonderheden direct na de dienst.
- Incidenten ook als MIC of MIM melden.
- Standaardmomenten (ochtend/middag/avond) volgens organisatiebeleid.
- Korte verandering = korte notitie. Geen werk verzinnen, wel niets weglaten.
Toets jezelf
Lees je rapportage terug: kan een collega die de cliënt niet kent op basis hiervan de zorg overnemen? Zo nee, herschrijf.