De vijf vragen
- 1Wat ga ik doen?
- 2Hoe ga ik het doen?
- 3Waar ga ik het doen?
- 4Wanneer (begin én eind)?
- 5Wie doet het met mij / wie helpt?
In de praktijk
- Schrijf, teken of beeld het uit — niet alleen verbaal.
- Begin en eind concreet: 'tot de wekker gaat', niet 'straks'.
- Eén opdracht tegelijk. Niet 'ga je douchen en dan eten'.
- Voorspelbaarheid > efficiëntie.
Wanneer escalatie?
- Vraag jezelf af: ontbrak één van de vijf?
- Vaak ontbreekt 'wanneer is het klaar' — geeft oneindigheidsstress.
Tip
Hang de vijf vragen op de kamerdeur. Loop ze samen door bij elke nieuwe activiteit.