Vroege signalen
- Snellere ademhaling, gebalde vuisten, rode gezicht.
- Stem wordt harder, korter, scherper.
- IJsberen, slaan met spullen, deuren dicht.
- Oogcontact mijden of juist starend.
Stappenplan
- 1Check jezelf: adem 4-7-8, schouders laag, stem laag.
- 2Geef ruimte: stap een meter terug, geen frontale positie maar schuin.
- 3Spreek kort en laag: 'Ik zie dat je boos bent. Ik wil je helpen.'
- 4Valideer gevoel, geen inhoud: 'Dat is rot.' — niet 'je hebt gelijk dat...'
- 5Bied keuze: 'Wil je hier blijven of naar je kamer?' (twee opties).
- 6Verminder prikkels: licht uit, anderen weg, tv uit.
- 7Stilte mag — vul niet op.
Niet doen
- Vingerwijzen, schreeuwen, 'rustig blijven!' roepen.
- Discussie aangaan over de inhoud.
- Vastpakken zonder noodzaak.
- Ultimatums geven die je niet kunt waarmaken.
Na de crisis
- Bied water, een deken, een rustige plek.
- Evalueer pas later — eerst herstel, dan reflectie.
- Bespreek in het team; pas signaleringsplan aan.
- Zorg voor jezelf — debrief met collega.
Veiligheid eerst
Bij fysiek gevaar voor jezelf of anderen: trek je terug en bel collega's of 112.