Type 1 en type 2
- Type 1: alvleesklier maakt geen insuline. Altijd insuline-afhankelijk, vaak vanaf jonge leeftijd.
- Type 2: lichaam reageert minder goed op insuline. Vaak later in het leven, soms door leefstijl.
- Streefwaarden bloedglucose: nuchter 4-7 mmol/l, twee uur na maaltijd onder 10 mmol/l.
- HbA1c geeft het gemiddelde over 2-3 maanden weer.
Hypoglykemie (te laag, < 4 mmol/l)
- Oorzaken: te veel insuline, te weinig eten, extra inspanning, alcohol.
- Signalen: zweten, trillen, bleek, hartkloppingen, hongerig, verward, prikkelbaar, wazig zien.
- Ernstig: niet meer kunnen slikken, bewusteloos, insult.
- 1Meet bloedsuiker als de cliënt nog kan meewerken.
- 2Geef 15-20 g snelle suikers: dextro, glas limonade (geen light), 4 klontjes suiker.
- 3Wacht 15 minuten, meet opnieuw.
- 4Bij nog steeds te laag: herhaal snelle suikers.
- 5Als waarde stijgt: geef langzame koolhydraten (boterham, cracker).
- 6Bewusteloos? NIETS in de mond. Stabiele zijligging, GlucaGen toedienen volgens protocol en 112 bellen.
Hyperglykemie (te hoog, > 10 mmol/l)
- Oorzaken: te weinig insuline, te veel/verkeerd eten, infectie, stress, vergeten medicatie.
- Signalen: dorst, veel plassen, moeheid, hoofdpijn, wazig zien.
- Ernstig (ketoacidose): misselijk, braken, buikpijn, snelle ademhaling, acetongeur. Bel arts.
- Handel volgens het persoonlijke schema. Niet zelf insuline bijgeven zonder bevoegdheid.
Bloedsuiker meten
- 1Handen wassen — voedselresten geven valse waarden.
- 2Prik aan de zijkant van de vingertop, niet de top zelf.
- 3Eerste druppel afvegen, tweede gebruiken.
- 4Noteer waarde, tijdstip en context (voor/na maaltijd, na sport).
- 5Bij sensor (FreeStyle Libre): scan en let op trendpijl.
Insuline toedienen
- Alleen bevoegd en bekwaam personeel — check werkinstructie.
- Roteer prikplek (buik, bovenbeen, bil) om lipodystrofie te voorkomen.
- Naald 10 seconden laten zitten na injectie.
- Bewaar pen op kamertemperatuur, reserve in koelkast (niet vriezen).
Dagelijkse aandachtspunten
- Regelmaat: drie maaltijden, eventueel tussendoor — koolhydraten verdeeld.
- Beweging verlaagt bloedsuiker — extra meten en eventueel snack vooraf.
- Voetcontrole: dagelijks checken op wondjes (verminderde sensatie).
- Alcohol kan uren later nog een hypo geven — eet erbij en meet vóór slapen.
- Bij ziekte: vaker meten, blijven drinken, nooit insuline zomaar overslaan.
Hypo gaat vóór alles
Bij twijfel tussen hypo en hyper: behandel als hypo. Een te lage bloedsuiker is direct levensbedreigend, een te hoge geeft uren tot dagen tijd.